Deprecated: Function create_function() is deprecated in /data/www/ericverkaar.nl/www/wp-content/themes/calcium/inc/laborator_filters.php on line 51 Deprecated: Function create_function() is deprecated in /data/www/ericverkaar.nl/www/wp-content/themes/calcium/inc/laborator_filters.php on line 52 Transities in de zorg | Eric Verkaar

Zelfredzaam Rivierenland: een eerste evaluatie van de transities

Met dank aan Heidemarie van Drunen en Inge Laduc van het Netwerk Wmo raden

Enkele weken geleden evalueerde het Platform Zelfredzaam Rivierenland het eerste jaar van de transities in de 10 gemeenten in Rivierenland. Ik mocht samen met het Netwerk Wmo raden de aftrap van deze bijeenkomst doen.

In onze inleiding hebben we een aantal eerste evaluatiepunten benoemd:

  • Er zijn geen grote ongelukken gebeurd: de zorg gaat door!
  • Er is bereidheid bij alle partijen om te vernieuwen: zorgaanbod op maat
  • Er komt steeds meer ruimte voor burgerinitiatieven
  • Er zijn wel knelpunten vanuit het perspectief van inwoners met een zorgvraag

Welke knelpunten ervaren inwoners volgens de Wmo raden?

  • Nadruk / sturing te veel op geld, te weinig op de zorgvraag van mensen, te weinig op kwaliteit van zorg, te weinig op innovatie
  • Cliëntenrechten nog niet volledig ingevuld: Cliëntondersteuning / ombudsfunctie / vertrouwenspersoon
  • Participatie kan beter: beter luisteren, meer signalen ophalen
  • Het ‘Keukentafelgesprek’ is niet voldoende gericht op bieden ondersteuning, de inwoner moet assertief zijn om te krijgen wat hij nodig heeft…
  • Er is sprake van ’‘Vermagering’ van de thuiszorg
  • In de jeugdzorg zijn er soms geen contracten met aanbieders
  • De VG / LG en GGZ problematiek wordt niet altijd niet goed (h)erkend, wordt te ‘licht’ ingeschat
  • Bij de inkoop van hulpmiddelen is de Wmo raad soms niet betrokken en zijn geen kwaliteitscriteria opgenomen
  • De kosten voor cliënten lopen te hoog op waardoor mensen zorg mijden
  • De PGB’s zijn soms te laag
  • Er zijn te lange wachttijd voor beschermd wonen
  • Er is een koppeling tussen wonen en begeleiding: geen keuzevrijheid
  • Er is onvoldoende goede keuze informatie voor cliënten over zorgmogelijkheden / keuzes
  • Er is nog geen onderzoek gedaan naar klantervaringen

Deze gesignaleerde knelpunten zijn in het platform Zelfredzaam Rivierenland besproken. Veel wethouders herkenden de knelpunten die in de presentatie genoemd zijn niet echt. Het is volgens hen dan ook de vraag in welke mate de gesignaleerde / ervaren knelpunten voorkomen.

  • Er zijn weinig klachten, zelfs minder dan in andere jaren. De klachten die er zijn betreffen de huishoudelijke hulp. Daar ligt ook veel te veel de focus van de pers op.
  • Wel werd herkend dat de transities vooral een systeemverandering zijn en nog maar beperkt aansluiten op de leefwereld van mensen.
  • Door een van de gesprekspartners werd nog een nieuw punt op tafel gelegd, wat niet in de presentatie was genoemd: de verschuiving van jeugdpsychiatrie naar jeugdzorg. Deze jongeren worden ofwel ‘afgestoten’ door de psychiatrie, of daar niet meer naar toe verwezen. Het effect is dat de ‘gewone’ jeugdzorg zwaardere jongeren als cliënt krijgt.
  • Ook zouden wethouders inwoners graag eerder betrekken bij veranderingen, ook in een veel eerdere fase dan bij het adviseren over een toch al gereed zijnde verordening. Maar dan moet het wel anders dan met een handje vol mensen in een zaaltje. Want wat is dan de waarde van at er ingebracht wordt?

Het positieve punt dat er meer initiatieven door inwoners zijn, werd wel herkend. Daarbij wordt door de wethouders aangegeven dat het echt niet hun verwachting is dat informele netwerken alle professionele zorg gaan overnemen. De waarde van burgerinitiatieven en sociale netwerken wordt veel meer gezien in preventie en als voorwaarde voor het langer thuis blijven wonen.

Het subsidie-instrument wordt in een aantal gemeenten gebruikt om verenigingen e.d. activiteiten in het sociale domein te laten doen. Ook wordt met subsidie ingezet op meer samenwerking. De vraag van de ene vereniging of organisatie kan vaak door een andere organisatie worden beantwoord. Hierdoor zijn er al heel wat nieuwe samenwerkingsverbanden ontstaan en bereiken verenigingen nu ineens doelgroepen die vroeger niet bereikt werden.

Tijdens het gesprek zijn de volgende punten aan de orde gekomen, die samen een agenda voor de komende jaren kunnen vormen:

  • In het algemeen veel meer accent op de leefwereld van mensen en minder nadruk op systeemproblemen;
  • Meer aandacht voor echt kwetsbare groepen (en niet de ‘gewone’ ouderen). Denk aan GGZ doelgroepen, mensen met een verstandelijke beperking of kwetsbare jongeren. Ook meer aandacht voor overbelasting van mantelzorgers;
  • Doorgaan met verbinden van verschillende initiatieven en organisaties, ook buiten de ‘zorgpaden’, bijvoorbeeld met sport, cultuur, de kerken etc.;
  • Meer en vroeger betrekken van burgers bij (in gesprek met inwoners over) gemeentelijk beleid, maar dan wel anders dan met 7 mensen in een zaaltje. We willen meer ‘eigenaarschap’ door inwoners;
  • Veel meer nadruk op de keten, zeker bij dementie;
  • Meer nadruk op preventie, bewegen, voeding, maar ook valpreventie;
  • Ontwikkelen van ambulante 2e lijns teams met specialisten ter ondersteuning van de 1e

De platformpartners zijn inmiddels aan de slag met het opvolging geven aan de punten op deze agenda.

2016 als keerpunt? Meer invloed van mensen op hun zorg?

2015 als chaotisch transitiejaar?

2015 was het jaar waarin de decentralisaties formeel van start zijn gegaan: de Jeugdwet, de Participatiewet en de nieuwe Wmo zijn van start gegaan. De decentralisaties hebben tot doel mensen lokaal meer invloed te geven op de inrichting van de zorg voor anderen en elkaar. Dat gaat via de gemeente(raad) en moet leiden tot een grotere zelfredzaamheid van mensen en een grotere vrijwillige inzet voor elkaar. Maar de decentralisatie zijn daarnaast in belangrijke mate ook een bezuiniging die in hevigheid gaat toenemen de komende jaren.

De voorbereiding van 2015 kwam pas halverwege 2014 echt goed op gang. Veel gemeenten weten op dit moment (december 2015) nog steeds niet hoeveel mensen er door wie tegen welke kosten worden geholpen. Iedereen spreekt van een eerste transitiejaar dat nog veel knelpunten kent. Landelijk ook: u weet wel van die PGB betaling die nog steeds niet goed werkt en veel duurder is geworden. Ook weten we nog niet echt wat de gevolgen voor mensen zijn. De verschillen tussen gemeenten nemen toe, de eigen bijdragen nemen toe, een aantal mensen krijgt daarom geen (passende of gewenste) zorg meer. Zorg in het sociale domein is ook geen recht meer, maar een gemeente kan ‘compenseren’. De zin ‘waar gehakt wordt, vallen spaanders’ heb ik het afgelopen jaar in vele varianten uit de mond van heel wat wethouders en ambtenaren gehoord.

Ook als het gaat om verzekerde zorg, maken we als samenleving steeds grotere veranderingen mee. Het is al lang niet meer vanzelfsprekend dat de zorg die ik nodig heb, (overal) vergoedt wordt: ik moet dat steeds nagaan in mijn polisvoorwaarden. Kan ik naar de fysiotherapeut? Wat kost dat, krijg ik dat (gedeeltelijk) vergoed? In welk ziekenhuis wordt de voor mij noodzakelijke operatie vergoedt? Heb ik de juiste polis afgesloten….? Ik ben nog niemand tegengekomen die hier niet over moppert. Ik vraag mij af, of dit de manier is om de kosten voor de zorg onder controle te krijgen? Voor mij is het nauwelijks meer te begrijpen.

De mens centraal?

En dan sta ik als patiënt of cliënt of burger (mens?) nog wel centraal…!? Hoezo dan? wat kan ik er aan doen? Heb ik inspraakmogelijkheden gehad bij de zorg-verordeningen die in mijn gemeente zijn vastgesteld? Ben ik betrokken geweest bij de inrichting van de nieuwe zorg voor mijn kinderen? Is er een sociale raad waar ik invloed kan uitoefenen? Hoe ben ik betrokken bij de cliëntenraad van mijn instelling? En wie bepaalt de agenda van deze participatieorganen? Wie ondersteunt hen?
Kan ik eigenlijk wel kiezen uit zorgverzekeringen? Ik kan bijvoorbeeld na een goede analyse nauwelijks de verschillen ontdekken… Het echte verschil is de vraag of ik veel of weinig eigen risico wil nemen. Dus gezonde mensen met veel geld zijn goedkoper uit want die kunnen financieel grotere risico’s lopen.

Meer invloed in 2016?

Ik denk dat de veranderingen in de zorg, ook in 2015 te veel buiten mensen om zijn gegaan. Mijn beleving is dat we in 2016 op een keerpunt komen als het gaat om draagvlak voor alle veranderingen in de zorg. Het is mijn wens voor 2016 dat wij als ‘gewone’ mensen weer greep krijgen op onze zorg:

  • Inzicht in het effect van zorg: wat bereiken we, bij welke cliënten / patiënten? Wat gaat er goed en waar gaat het fout? Wat betekent dit voor mensen. Wat moet er echt beter? En hoe dan?
  • Inzicht in de kosten van de zorg: wat kost wat en wat kunnen we er samen aan doen om de zorg betaalbaar te houden?
  • Eigenaarschap van zorg door mensen zelf: hoe zorgen we dat mensen meer eigenaar gaan worden van de zorg die zij voor zichzelf of voor anderen nodig hebben? En betrokken worden bij de inhoudelijke en financiële keuzes die gemaakt moeten worden om als samenleving de zorg goed en betaalbaar te houden.

Mijn persoonlijke agenda voor 2016

Ik zal dan ook het komende jaar mijzelf inzetten om te zorgen dat mensen meer invloed op hun eigen zorg kunnen uitoefenen. Mijn persoonlijke agenda voor 2016:

  • Werken aan de implementatie van de Wkkgz, waardoor klachtenprocedures en geschillen in 2016 en 2017 opnieuw worden ingericht;
  • Verdere inrichting van de onafhankelijke cliëntondersteuning in de langdurige zorg, het sociaal domein en het vertrouwenswerk in de jeugdzorg
  • Werken aan de participatie van verzekerden in het kader van de nieuwe zorgwet en de recente Motie Bouwmeester Dik-Faber;
  • Werken aan participatie in gemeenten rondom het sociaal domein: eindelijk gaan doen wat we in wetgeving over participatie hebben afgesproken!

Ik wens iedereen een heel mooi en zorgzaam 2016!

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Participatie burgers bij kwaliteitskader Wmo hard nodig

Momenteel buigen veel gemeenten zich over de vraag hoe zij hun wettelijke taak als toezichthouder op de kwaliteit van de Wmo zorg- en dienstverlening moeten gaan vormgeven. In veel gemeenten maakt de GGD een voorstel. Landelijk is daarbij een sort modulair format afgesproken: elke GGD vult dit landelijke format voor de eigen regio naar eigen inzicht in. Elke gemeente kan daarbinnen dan weer kiezen voor een minimal kwaliteitskader of voor extra modules voor uitgebreidere kwaliteit van zorg.

Elementen voor een kwaliteitskader

Basis voor het Wmo kwaliteitskader is de (reactieve) meldingsplicht: zorgverleners moeten ernstige incidenten melden. De toezichthouder (de GGD in veel gevallen) kan dan onderzoeken of het gemelde incident veroorzaakt wordt door structureel slechte kwaliteit, een incidentele miskleun of puur toeval is.

Een tweede (in mijn ogen ook nog minimaal verplicht) actief onderdeel is het gebruik van verplichte onderzoeken, zoals de wettelijk verplichte cliëntervaringsonderzoeken. Deze zouden in mijn ogen ingericht moeten worden samen met Wmo/participatie- en cliëntenraden. Hierdoor komt het perspectief van de burger ten minste in beeld. Daarbij gaat het niet alleen om vragenlijsten, maar ook om meer diepgaande onderzoeken, zoals cliëntenpanels, of mystery guest onderzoek. Zorgbelang kan u helpen met een heuse gereedschapskist op dit gebied.

Ik ben van mening dat gemeenten daarnaast ook actief een aantal standaard extra onderzoeken zouden moeten doen. Ten minste naar de reeds aanwezige gegevens: denk aan jaarlijks onderzoek naar gemelde klachten over instellingen en hulpverleners, of onderzoek naar de jaarverslagen van instellingen, waaruit een beeld van het functioneren van een instelling kan worden gedestileerd. Dat eerste (zelf)beeld van een instelling kan eventueel aanleiding zijn voor nader onderzoek. In mijn ogen dient een instelling zelf in haar jaarverslag aan te geven op welke manier zij zorg draagt voor kwaliteit en wat daarover het eigen oordeel is.

Vervolgens is het van belang dat gemeenten actief jaarlijks wisselende, specifieke diepteonderzoeken naar zelf gekozen speerpunten gaan doen. Denk aan een onderzoek naar de zorg voor specifieke doelgroepen die in het gedrang zouden kunnen komen (het ene jaar ouderen, dan mensen met een verstandelijke beperking, het jaar er op de zorg voor dak- en thuislozen, etc.). Ook kunnen specifieke thema’s aan  de orde komen, zoals fysieke veiligheid, of digitale toegankelijkheid van informatie…. etc. In mijn ogen heeft elke zichzelf respecterende gemeente op zijn jaarlijkse kwaliteitsagenda straks ten minste één, (maar liever nog meer) specifiek zelfgekozen speerpunt van onderzoek staan.

Tot slot hoort ook het proces van opvang en afwikkeling van klachten- en bezwaar- en beroepsprocedures onderdeel uit te maken van het kwaliteitskader. Dit is een van de zelfcorrigerende mechanismen in de zorg. Het is nog onduidelijk of de Minister dinsdag aanstaande (6 oktober 2015) de Wmo onder de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) gaat brengen. Of dat nu wel of niet gebeurt: gemeenten dienen er – vanuit hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit –  zelf voor te zorgen dat dit proces goed is geregeld. Dat geeft cliënten zelf de mogelijkheid corrigerend op te treden als zaken niet goed lopen in de Wmo zorg.

Wie stelt het Wmo kwaliteitskader vast?

De komende maanden gaan gemeenten elk hun eigen Wmo kwaliteitskader vaststellen. Ik ben van mening dat dit kwaliteitskader door gemeenteraden vastgesteld dient te worden. Zij zijn uiteindelijk veranrtwoordelijk als de Wmo zorg in een gemeente straks niet goed (genoeg) blijkt te zijn. Kwaliteit van Wmo zorg hangt ook nauw samen met het budget dat gemeentenraden ter beschikking stellen. Ik heb de indruk dat geen enkele gemeenteraad in Nederland op dit moment betrokken is (of wordt) bij de vaststelling van het eigen Wmo kwaliteitskader. Ik maak de inschatting dat colleges dit zelf kwaliteitskader vast gaan stellen, of dit mandateren aan het (dagelijks- of algemeen) bestuur van de GGD. Gemeenteraden: neem hier uw verantwoordelijkheid in.

Voordat gemeenteraden zich buigen over het gemeentelijk Wmo kwaliteitskader is het vanzelfsprekend dat Wmo raden, cliëntenraden en andere bij de Wmo betrokken burgers, zoals patiënten- of cliëntenorganisaties zich hierover buigen en gemeenten gaan adviseren. Pas dan kan sprake zijn van een algemeen gedragen kwaliteitskader. En geloof mij: dat wordt van heel erg groot belang als zich straks (onverhoopt) toch een calamiteit in een gemeente voordoet, bij door de gemeente ingekocht en op kwaliteit bewaakte zorg. Geachte Wmo raden: ook u dient hier uw eigen verantwoordelijkheid in te nemen en geef desnoods ongevraagd advies!

 

 

Sociale wijkteams: werk in uitvoering!

Vanaf 1 januari werken veel gemeenten met sociale wijkteams (SWT’s) als nieuwe startfase van de zorg in het gemeentelijke sociale domein. De werkwijze van de teams verschilt per gemeente. Maar de centrale gedachte achter de SWT’s is dat met name complexere zorgvragen door een team van hulpverleners met verschillende disciplines, werkend vanuit verschillende zorgorganisaties, sneller tot een beter integraal (maar eenvoudiger) aanbod van zorg komt dan in de oude situatie, waarin ‘toegang’ tot zorg via de aparte organisaties verliep. In veel gevallen voert het SWT het zogeheten ‘keukentafel- of intakegesprek’ en doen ze ook de zorgtoewijzing. Met eenvoudiger wordt hier ‘minder hulpverleners / organisaties’ en ‘minder zware zorg’ bedoeld.

Eigenlijk was er in Nederland tot 1 januari maar beperkte (pilot) ervaring met deze SWT’s. Vanaf 1 januari 2015 zijn ze massaal ingezet vanuit de gedachte dat hierdoor de zorg beter wordt en ook goedkoper. Het is de vraag of deze ‘dromen’ ook uitkomen. Afgelopen weken was ik op twee plaatsen betrokken bij een werkbezoek of eerste evaluatie. Een aantal leerpunten.

  • Door de wijkteams verandert de zorg nog niet: waar vroeger afstemmingsproblemen waren rondom complexe zorg met meer hulpverleners / organisaties, zijn die er nu nog. soms wordt het ‘schakelen’ wel makkelijker als de SWT medewerkers goed verbonden zijn met hun ‘moederorganisaties’ . Met name wanneer er in het team niemand van de gemeente zit, wordt het lastig!
  • Lokaal sluit niet altijd goed aan op regionaal: de zorg is soms regionaal georganiseerd. het wijkteam vaak lokaal. Vaak ontbreekt regionaal afstemming tussen gemeenten en instellingen. Dat kan vaak nog beter! Zeker als het gaat om afstemming op financieel-administratief gebied: er is een hele nieuwe bureaucratie geschapen!
  • Er lijken zich meer crisissituaties voor te doen (met name in de GGZ), doordat er langer ‘voorwerk’ wordt verricht, voordat de ‘2e lijn’ in beeld komt. Een beter inschatting van potentiële crisissituaties lijkt nodig.
  • Het lijkt dat er verschillen ontstaan in cliëntstromingen: de ene zorgaanbieder loopt over, de andere heeft een veel lagere instroom. Waarom? Op grond waarvan worden cliënten anders doorverwezen dan vroeger?  Zijn er ook cliënten die buiten de boot vallen? Het is zaak de cliëntstromen goed te analyseren!
  • Huisartsen krijgen het drukker door de onduidelijkheid voor burgers.  Het is voor burgers nog vaak onduidelijk waar zij voor wat bij wie moeten zijn? Het wijkteam, de cliëntondersteuner, de huisarts, het loket? In de praktijk wordt geconstateerd dat burgers vaker rechtsreeks naar de huisarts gaan om snel een indicatie te krijgen. Hoe zorgen we ervoor dat de infrastructuur per gemeente in de praktijk helder is voor burgers en in de uitvoering goed loopt.
  • De zorgvraag neemt op onverwachte plekken toe. Met name in wijken waar dit niet werd verwacht komt door de proactieve houding van sommige SWT’s de verborgen zorgvraag (met name GGZ) eerder en beter in beeld. Capaciteitsuitbreiding van de SWT is soms al nodig geweest.
  • Professionals hebben last van de bureaucratie, de hoeveelheid regels en de onduidelijkheid daarover. Er is behoefte om dit thema sterk te verbeteren. De regel- en verantwoordingsdruk gaat ten koste van de directe contacten en ondersteuning met burgers. Professionals zijn moe van de huidige bureaucratie en dit leidt tot demotivatie van professionals.

Kortom: nog veel werk aan de winkel!

Alle begin is moeilijk….?

Toen op 1 januari de Staatssecretaris en alle Nederlandse wethouders opstonden, ging gewoon de zon weer op. De transities van de Wmo, langdurige zorg, Jeugdwet en Participatiewet bleken geen ‘millenium-bug’ te bevatten….

Hoewel…?

  • Enkele dagen later bleek al dat de PGB overheveling naar de SvB, als onderdeel van deze transities, niet vlekkeloos verliep. Tot op de dag van vandaag hebben nog veel cliënten en hulpverleners daar veel last van. En volgens de laatste berichten gaat het ook nog wel even duren.
  • Hetzelfde geldt voor de declaratie van zorgkosten door zorgaanbieders bij gemeenten. Ook dat verloopt naar mijn informatie op heel veel plaatsten nog niet goed. Met noodmaatregelen worden problemen tijdelijk opgelost. Definitieve oplossingen zijn soms nog ver weg.

Dit zijn ‘slechts’ enkele ‘administratieve’ problemen, waarvan ik aanneem dat deze de komende maanden opgelost worden. Maar cliënten en hulpverleners hebben er veel last van en veel extra werk aan. Maar hoe staat het met de inhoudelijke problemen? Wat gaat er zorginhoudelijk  (nog) niet goed?

  • ‘Opstopping’ in de jeugdzorg en het CIZ?
    • Een aantal jeugdzorg organisaties meldt dat er tot wel tot 2/3 minder cliënten jeugdzorg komen. Vanuit wijkteams wordt gemeld dat het veel meer werk is dan verwacht, om te komen tot 1 plan rondom 1 gezin. Zijn er in Nederland vanaf 1 januari minder probleemsituaties die tot inzet van jeugdzorg leiden? Of worden de problemen vanaf 1 januari beter door mensen zelf, familie en de wijk opgepakt? Of duurt het gewoon langer voordat jongeren en hun ouders de juist zorg krijgen omdat ze als ‘casus’ verstopt zitten in de nieuwe ‘pijplijn’?
    • Instellingen voor langdurige zorg signaleren ten aanzien van CIZ indicaties eenzelfde trend: het zijn er minder en het duurt langer. Gaan gemeenten er voor zorgen dat minder zelfredzame ouderen goed langer thuis kunnen blijven wonen, of is het zo dat deze ouderen ‘van het kastje naar de muur’ worden gestuurd en niet de goede zorg ontvangen, of veel te laat?
  • Startproblemen sociale wijkteams: In veel gemeenten melden verschillende partijen dat de nieuw gevormde sociale wijkteams nog niet optimaal werken. Samenwerken is nieuw en lang niet altijd makkelijk in deze nieuw context. Daarnaast kost het meer tijd dan gedacht om tot goede integrale analyses en probleemaanpakken te komen, bijvoorbeeld in gezinnen met kinderen (één gezin, één plan), maar ook voor ouderen die langer thuis willen blijven wonen.
  • Meer druk op huisartsen: In een regio hebben de huisartsen aan de bel getrokken: ze krijgen ineens meer mensen in de spreekkamer en de consulten duren langer. Mensen weten zelf niet waar ze voor hun zorg naar toe moeten en huisartsen weten dat ook niet, omdat gemeenten het vaak zelf ook nog niet goed weten.
  • Te veel digitaal. Veel gemeenten hebben hun heil gezocht in digitale loketten als een soort van voorliggende voorziening. Dit om kosten te besparen. Maar veel mensen kunnen daar niet goed mee uit de voeten. Huisartsen merken dat in hun spreekkamer, want zij spreken wel gewoon met mensen.
  • De weg kwijt?  Hoewel er nog geen goed beeld te geven is, komen op verschillende plaatsen bij cliëntenorganisaties signalen binnen dat in sommige gemeenten, mensen het moeilijk vinden de juiste weg te vinden. De onafhankelijke cliëntondersteuning is bij veel mensen niet bekend om hierin bijgestaan te worden.
  • Afstemming niet altijd optimaal? Omdat er echt sprake is van een nieuwe inrichting van het zorgveld, moeten hulpverleners en hun organisaties ook opnieuw de weg zoeken. Ook moeten ze hun sociale kaart opnieuw leren kennen: wie doet nu wat, wanneer en waar?
  • Late inrichting? Gemeenten hebben nog lang niet alle onderdelen van de nieuwe Wmo goed ingericht. De onafhankelijke cliëntondersteuning is bijvoorbeeld nog niet altijd goed (volledig) geregeld. De VNG komt hierover binnenkort (enkele maanden na invoering van de Wmo) met een advies. De Zorgverzekeraars hebben de onafhankelijke cliëntondersteuning in de langdurige zorg pas vanaf 1 maart goed operationeel geregeld. Nu moeten cliënten nog weten dat ze hier ondersteund kunnen worden.

Laten we er voor zorgen dat deze hier gesignaleerde problemen, aanloopproblemen zijn. Het platform zelfredzaam Rivierenland gaat bijvoorbeeld een eigen inventarisatie doen om meer inzicht in deze knelpunten te krijgen en er een oplossing voor te bedenken. Dat lijkt me een goed plan voor andere regio’s!

Participatie-spagaat: zorg voor de ander of broodroof?

Afgelopen woensdag 2 juli 2014 vond in de Weerd in Arnhem een tweede participatiedebat plaats. Zorgbelang was met de andere partners uit ‘in de Weerd’ medeorganisator van dit debat.  In het debat stond de rol van met name de vrijwilligers die participeren centraal: wat vinden zij van belang, wat hebben zij nodig om te kunnen participeren?

Veel voorbeelden van hoe in Arnhem mensen vanuit hun eigen kracht een vrijwillige bijdrage aan de samenleving leveren, kwamen onder de perfecte leiding van Angelique Krüger  aan bod. Zo waren er voorbeelden op het gebied van wijkbeheer (o.a. groen) of zorg en ondersteuning van anderen. De kern van de vraag van de vele vrijwilligers was eigenlijk simpel: Maak vrijwilligerswerk aantrekkelijk en laat het aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van mensen:
– Sluit aan bij de kwaliteiten van mensen zelf en ontwikkel die verder zodat mensen vooruit komen, bijvoorbeeld om op termijn weer een baan te kunnen vinden.
– Geef mensen de ruimte en ondersteun (bijvoorbeeld als gemeente of als instelling) met hulpmiddelen en een beetje geld.  Zo weigerde de gemeente schoppen ter beschikking te stellen (‘schept precedenten’) voor boomonderhoud. Uiteraard zegde de wethouder toe dit probleem snel op te lossen.
– Neem belemmeringen weg in regeltjes zoals het UWV of gemeenten die hanteren.  Zo weigert het UWV toestemming voor vrijwilligerswerk bij RTV Arnhem, want dat werk zou ook door een betaalde medewerker gedaan kunnen worden (als RTV Arnhem geld daarvoor zou hebben…. u begrijpt het al).

Al deze positieve ervaringen riepen bij een aantal aanwezigen ook vragen op: kan of moet al dit vrijwilligerswerk niet gedaan worden door betaalde krachten? Zo werden vrijwillige klussendiensten gezien als een bedreiging van kleine aannemers of klussenbedrijven en werden zorgende hulp van buren of vrijwilligers voor ouderen gezien als een bedreiging van betaalde thuiszorg. Als je er op deze manier naar kijkt, dan komen we met elkaar in een soort van ‘participatie-spagaat‘: wat de een met veel energie en goede wil doet voor de ander, berooft weer een ander van zijn brood. Maar is dit wel zo?

Mij verwondert deze vraag toch wel een beetje: mij heeft nog nooit iemand van broodroof beschuldigd als ik mijn eigen fiets repareer of bij mijn ouders een klusje opknap. Ik heb in mijn leven heel wat huizen van vrienden en familie geschilderd, inboedels verhuisd of het een en ander gerepareerd. Bouwmarkten hebben aan mij een goede klant. Mag ik dat nu niet meer doen omdat ik daarmee een vriend met een klussenbedrijf van zijn broodwinning beroof?
Ik geloof heilig in een samenleving waar mensen veel voor elkaar doen. Alles verplicht betaald laten doen kan gewoon weg niet werken zolang niet iedereen voldoende geld heeft om aan al zijn of haar levensbehoeften te voldoen. En nog los van het hebben van geld: zelfredzaamheid en zorg voor elkaar op velerlei terreinen, is toch ook de basis waarop een samenleving drijft.

Daarnaast heeft vrijwilligerswerk in een aantal gevallen een belangrijke extra component die bij professioneel werk vaak niet aanwezig is: een aantal vrijwilligers heeft een ervaringsdeskundigheid die effectiever kan zijn dan professionele kennis. Soms is het gewoonweg vanuit de kwaliteit van de zorg voor anderen noodzakelijk deze vrijwilliger ervaringsdeskundigheid te organiseren. In een aantal gevallen wordt het zelf steeds gebruikelijker deze ervaringsdeskundigen ook professioneel te gaan betalen voor hun ‘onbetaalbare’ inzet, omdat deze zeer effectief kan zijn.

Naar mijn mening is er altijd een natuurlijk moment waarop vrijwillige inzet over gaat in professionele ondersteuning (op welk vlak dan ook). Wanneer de ondersteuning qua omvang te groot wordt; wanneer continuïteit noodzakelijk is maar niet meer door vrijwilligerswerk gegarandeerd kan worden; of wanneer kwaliteiten noodzakelijk zijn die niet door een vrijwilliger geleverd kunnen worden. Op enig moment is het gewoon niet meer mogelijk alle problemen volledig vrijwillig op te lossen. Hoewel Nederland met Noorwegen en de VS behoort tot de landen waarin het meeste aan vrijwilligerswerk en mantelzorg wordt gedaan, is hieraan ook een grens. En voor elke situatie en elke vrijwilliger ligt deze grens weer anders: de ene vrijwilliger kan meer dan de andere of heeft meer tijd dan een ander. Maar er is altijd een grens en die hoef je niet met regels vast te leggen: dat regelt zich vanzelf.

Er is echter wel een situatie waarin de overheid grenzen kan overtreden door georganiseerd vrijwilligerswerk ‘op te rekken’ op zo’n manier dat het initiatief niet meer bij mensen zelf ligt. Wanneer de overheid (direct of indirect) ‘vrijwilligerswerk’  grootschalig gaat organiseren met bijvoorbeeld een uitkering als vaste financiering, dan heeft dat weinig meer met de vrijwillige kracht vanuit de samenleving te maken.
Er is dus niets mis met het ruimte geven aan vrijwilligers met een uitkering, er is ook niets mis met het prikkelen van mensen met een uitkering om actief te worden, zeker als dat gericht is op arbeidsparticipatie of het verbeteren van het persoonlijk welbevinden van mensen. Maar het grootschalig en door de overheid direct of indirect georganiseerd inzetten van ‘vrijwilligers’ bij het ‘oplossen’ van maatschappelijke problemen, heeft in mijn ogen niets met vrijwillig maatschappelijk initiatief te maken en kan dan tot verdringing van betaald werk leiden. Het lijkt me dus van groot belang dat de overheid haar eigen activiteiten op dit vlak toetst aan de vraag waar het initiatief ligt bij burgers of bij de overheid. In dat laatste geval dient de overheid zich natuurlijk terug te trekken en het initiatief aan anderen over te laten. Op die manier kunnen we met elkaar heel eenvoudig een ‘participatie-spagaat’ vermijden!

 

Zorgakkoord, zorg of zegen?

Gisteren (17 april 2014)  is bekend geworden dat het kabinet met de constructieve coalitie een zorgakkoord heeft gesloten dat de ‘pijn’ in de langdurige zorg moet verzachten. Tegelijkertijd  wordt de vrije artsenkeuze ingeperkt doordat patiënten met een zogeheten ‘naturapolis’ alleen nog behandelingen van door zorgverzekeraars gecontracteerde artsen vergoed krijgen.

Zachte landing transitie landurige zorg?
Op zich is het natuurlijk mooi dat de bezuinigingen in de langdurige zorg worden verzacht. Maar het is nog volstrekt onduidelijk wat die verzachting nu precies gaat betekenen en wat de echte overblijvende pijn zal worden.
Als samenleving hebben we via de politiek besloten dat wij minder middelen aan de langdurige zorg willen besteden. We zijn in Europa ook een van de duurste landen op dit gebied. Maar daar krijgen we wel wat voor terug: een zorg op een niveau waar we aan gewend zijn en die we zelfs nu nog lang niet altijd van voldoende kwaliteit vinden. Maar geld en kwaliteit zijn niet altijd rechtstreeks met elkaar verbonden. Iedereen in de zorg is van mening dat het ook mogelijk moet zijn met (wat) minder middelen toch goede kwaliteit van zorg te bieden. En mensen willen ook best nadenken over wat ze zelf (of voor familie, vrienden, buren) mee kunnen doen. De grote uitdaging is echter dat samen met elkaar (opnieuw) vorm te geven.

En daar wordt het ingewikkeld. Tijdens een interessante ‘zwartdenksessie’ (gisteren, georganiseerd door het Minsterie van VWS) gaven veel aanwezigen (die goed zicht hebben op de besturing van de langdurige zorg) aan zich zorgen te maken over de vraag of alle partijen wel optimaal samen (op korte termijn) invulling kunnen geven aan een ‘getransformeerde’ zorg met minder middelen. Iedere partij in de zorg handelt misschien wel te veel vanuit het eigen korte termijnperspectief en te weinig uit het langetermijnperspectief van de samenleving als geheel en patiënten in het bijzonder. Want: als we met elkaar vinden dat de langduirge zorg met minder middelen ook goed vorm gegeven kan worden, dan moet iedereen zeker iets inleveren. Mie wie levert nu wat in en wie bepaalt dat? Dat is het dillemma waarin alle zorgbestuurders (instellingen, zorgkantoren, gemeenten, VWS) met elkaar op dit moment gevangen zitten.

Tegelijkertijd is iedereen het er over eens dat het uitstellen van de bezuinigingen en inhoudelijke transformatie de problemen alleen maar vergroot: iedereen heeft behoefte aan duidelijke kaders op korte termijn. het is met name aan de landelijke politiek die (financiële en inhoudelijke kaders nu snel te stellen. De lokale en regionale politiek moet snel samen met zorgaanbieders en zorgkantoren deze landelijke kaders omzetten in een conctreet ander zorgaanbod.

Voor cliënten moet snel duidelijk worden wat de daadwerkelijke ‘pijn’ van ded veranderingen en bezuinigingen voor hen gaat worden. Met name de politiek moet daar volstrekt eerlijk over communiceren en niet verhullen dat deze bezuinigingen en veranderingen ook echt gevoled gaan worden. Op welke manier dat weten we nog steeds niet omdat de partijen in het veld deze bezuinigingen en veranderingen nog niet concreet genoeg hebben uitgewerkt. Dat moet dus snel gebeuren!

Al bij al wordt het hoog tijd dat alle partijen in de zorg, met de landelijke en lokale politiek voorop duidelijkheid gaan verschaffen aan cliënten: wat wordt de pijn die ze gaan voelen (welke zorg minder) en wat moeten ze zelf (of hun familie, buren, vrienden) meer zelf gaan doen?

Zorg is voor mensen maar ook door mensen. Bezuinigingen van 20 procent of meer op sommige terreinen, gaat ook leiden tot veel ontslagen. Mensen die op een andere manier ook weer veel geld gaan kosten (uitkeringen, ontslagvergoedingen). Deze mensen zullen ook heel veel persoonlijk leed gaan ervaren. Ook hierover dient de prolitiek volstrekt helder te zijn.  En in een tijd met al ongeveer 700.000 werkelozen ligt voor hen niet op korte termijn nieuw werk te wachten.

Gedwongen winkelnering bij door zorgverzekeraar aangewezen artsen?
Een tweede element van het gisteren gesloten zorgakkkoord is het feit dat verzekerden met een naturapolis (die goodkoper is dan een zogeheten ‘restitutiepolis’) niet langer naar een arts van hun eigen keuze kunnen gaan. Of dit voor mensen veel gaat betekenen zal sterk afhangen van de vraag op welke wijze verzekeraars hier invulling aan gaan geven.

Als zorgverzekeraars per regio een ruim aantal artsen en behandelaars contracteren, zal het probleem niet zo groot zijn. Als verzekeraars echter per regio slechts enkele artsen of behandelaars contracteren voor bijvoorbeeld een specifieke aandoening, dan heb je als verzekerde weinig meer te kiezen. Dat betekent dat artsen lokale of zelfs regionale ‘monopolies’ gaan krijgen en ik vraag mij af of de kwaliteit van de zorg dara nu beter van wordt. Tot nu toe heeft juist deze liberale Minister altijd gewezen op de kwaliteitsprikkel die van concurrentie in de zorg zou uitgaan. Blijkbaar denkt zij nu ineens heel anders hierover?

Elk redelijk denkend mens is het er over eens dat bewezen slechte kwaliteit en te hoge kosten reden kunnen zijn om als verzkeeraar geen contract af te sluiten met een arts of behandelaar. Als verzekeraars transparant maken onder werlke kwaliteitsvoorwaarden en onder welke prijscondities zij artsen en behandelaren zullen contracteren (en dat ook doen als een arts of behandelaar aan de gestelde criteria voldoet) dan zal er de komende jaren weinig aan de hand zijn. Als verzekeraars vooral op hoog volume en lage prijs bij slechts enkele artsen / behandelaren / organisaties gaan inkopen, dan kan er de komende jaren veel verlies aan kwaliteut gaan ontstaan.
Ook hier is het dus van groot belang dat de overheid en zorgverzekeraars samen met patiëntenorganisaties snel duidelijke afspraken gaan maken over hoe aan dit onderdeel van het zorgaakkoord invulling wordt gegeven.

 

 

 

Participatiewet als kans of bedreiging?

Twee weken geleden was ik druk met twee grote participatie-evenementen: de opening van het ZON participatiehuis in Nunspeet waar Zorgbelang Gelderland samen met de Inclusief groep het initiatief toe genomen heeft, en een verkiezingsdebat over de Arnhemse participatienota.

Het debat over de Arnhemse participatienota (samen met de partners In de Weerd georganiseerd) was heel druk bezocht. Alle Arnhemse politieke partijen hielden een kort pitch en gingen daarna met de zaal in debat. Ook 2 cliënten vertelden kort hun ervaringen. De emoties liepen hoog op, want de participatienota raakt de aanwezigen diep in hun persoonlijk leven. Velen zijn bang gedwongen te worden tot iets wat ze niet aankunnen. Anderen zien vooral het gebrek aan enige vorm van arbeid (deels door de oplopende bezuinigingen) als grootste probleem.

2014-02-05 20.54.58

Iedereen is het er over eens dat participatie een belangrijk deel is van het leven van iedereen. Alleen wil je als mens zelf vorm geven aan je leven en je wilt jezelf niet daartoe door een ander laten dwingen. Daar staat tegenover dat veel mensen ook wel vinden dat eenzaam en geïsoleerd thuis zitten, vaak geen echte vrije keuze is en vaak geen prettig leven. Het ondersteunen van mensen om zelf een zinvolle betrokkenheid met anderen vorm te geven, kan dan helpen, zolang mensen niet gedwongen worden iets te doen wat ze niet willen.

Wat  gedwongen arbeid betreft ligt de discussie nog wat ingewikkelder. Niet iedereen is tot alles in staat: er moet sprake zijn van arbeid naar vermogen. Maar wie bepaalt dat vermogen? Voor mij staat voorop dat met name mensen met een beperking, zelf in belangrijke mate moeten kunnen aangeven wat hun mogelijkheden zijn en hoe zij die willen inzetten. Dat is zeker geen vrijblijvende zaak, maar van dwang kan in mijn ogen toch ook geen sprake zijn. Als mensen wel kunnen werken, maar niet willen, is er in mij ogen wel sprake van misbruik van voorzieningen en dan kan gepaste dwang op z’n plaats zijn.
En wat doe je dan als iemand maar beperkte vermogens heeft en niet of maar zeer beperkt kan werken? ‘Veroordeel’ je iemand dan tot het laagste inkomensniveau (de bijstand)? Voorlopig lijkt deze discussie in belangrijke mate beslist door de Tweede Kamer, die besloten heeft de Wajong te behouden voor de huidige deelnemers. Maar wat voor de nieuwe instromers?

Uiteindelijk was iedereen het er over eens dat participatie veel kansen oplevert, maar dat vooral de bezuinigingen die kansen beperken. Als bijvoorbeeld werkgevers, maar ook anderen, meer hun  ‘morele’ verantwoordelijkheid zouden nemen, zou de gemeente niet alleen dit probleem hoeven oplossen. Werkgevers houden echter begrijpelijkerwijs niet van regels of verplichtingen op dit gebied. Het wordt dan zaak dat we (werkgevers, vrijwilligersorganisaties e.d.) met elkaar, zonder al die verplichtende en knellende regels, wel werk maken van participatie: mensen met een beperking werk geven of een andere zinvolle plaats. Hier is nog wel een wereld te winnen. Ik hoop dat dit debat in Arnhem aan deze ‘morele’ opdracht een steentje heeft bijgedragen.

In Nunspeet heeft Zorgbelang op het gebied van participatie een initiatief genomen en samen met de Inclusief Groep het ZON participatiehuis opgezet. Dat is  een inloop-huiskamer, waar je met begeleiding kunt zoeken naar zinvolle bezigheden: als het kan werk, of ls dat niet kan of niet nodig is, een zinvolle bezigheid die mensen in contact met elkaar brengt. Dit participatiehuis is nodig omdat niet iedereen direct de weg naar zinvolle activiteiten kan vinden. Zeker op dit moment nu werk moeilijk te vinden is. In het Nunspeetse participatiehuis werken heel veel vrijwillige en professionele organisatie samen om voor iedereen die er binnenloopt zo zinvol en leuk mogelijke activiteiten te vinden. Voor Zorgbelang telt dat heel veel mensen, vaak met enige beperking, zo’n zinvolle plek in de samenleving zoeken en die niet makkelijk kunnen vinden. Het ZON participatiehuis helpt hen daarbij. Het aantal mensen dat zich er nu al heeft gemeld, geeft aan dat het huis voldoet aan een behoefte. Nu moeten we er de komende tijd voor zorgen dat deze mensen ook een passende plek in het Nunspeetse gaan krijgen.
Zie voor beelden van de opening van het ZON participatiehuis:

Cliëntenorganisaties moeten keuzes maken bij het meewerken aan de zorg na de transities

De komende weken en maanden zal er in elke gemeente een discussie over de inrichting van de zorg na de tranisties (jeugdzorg, Wmo, participatiewet en passend onderwijs / 4D) plaats gaan vinden. In eerste instantie via het vaststellen door de gemeenteraden van intentieverklaringen, visienota’s of kadernota’s. Begin 2014 gaat het heel snel verder over de verdere invulling in bijvoorbeeld verordeningen en  vormen van contracteren. Maar ook over welke zorg nog wel en welke niet meer door een gemeente wordt gefinancierd.  Het is zaak als Wmo-raden, participatieraden en cliëntenraden, daar invloed op uit te oefenen: op wethouders, op gemeenteraadsleden (zij stellen het beleid vast). Gemeenteraden en Wmo raden of participatieraden hebben elk hun eigen spelregels om hier samen met elkaar over in gesprek te gaan en volgen daarbij elk hun eigen tijdspad.

Zorgbelang Gelderland ondersteunt in de Gelderse regio’s de Wmo raden en participatieraden en stelt voor met elkaar gezamenlijk prioriteiten te stellen (wat is wel belangrijk en waar moet je misschien maar minder tijd aan besteden).

Achter de discussies op lokaal niveau de komende maanden, speelt de centrale vraag in hoeverre je als cliëntenorganisaties mee gaat  werken aan een andere invulling van zorg, met minder middelen. Het is goed hier over na te denken en een strategische positie in te nemen. Veel cliëntvertegenwoordigende organisaties hebben moeite met de bezuinigingen die met deze transities gepaard gaan. aan de andere kant zien veel organisaties ook kansen om de zorg onieuw beter in te richten. en als dat met minder kosten kan is dat natuurlijk ook direct in het belang van iedereen. Daarnaast zij de bezuinigingen natuurlijk een politiek gegeven waar niemand om heen kan. Wel is het zaak vanuit cliëntenperspectief mee te denken over de invulling er van en de (mogelijke) consequenties voor mensen met een zorgvraag.

Welke vragen zijn in mijn ogen de komende maanden voor cliëntenorganisaties het meest van belang?

  1. Ben je als Wmo-raad of cliëntenorganisatie bereid om mee te denken en mee te werken aan een andere zorg op lokaal niveau, waarbij minder middelen beschikbaar zullen zijn? Hoe stel je als cliëntenorganisatie hier strategisch in op?
  2. Welke mogelijkheden of kansen zie je als het gaat om het vergroten van zelfredzaamheid,  de belasting van het eigen netwerk en vrijwilligerswerk? Wat zijn  grenzen hieraan?
  3. Welke kansen zie je als het gaat om nieuwe vormen van zorg, bijvoorbeeld in de vorm van burgerinitiatieven?
  4. Toegankelijkheid: Hoe kijk je aan tegen de nieuwe vormen van toegang tot zorg, zoals met name het integraal werkende wijkteam? Hoe kijk je aan tegen de (nieuwe) drempels die in de toegang van de eerste naar de tweede lijn gelegd worden?
  5. Hoe kun je de positie van echt kwetsbare groepen beschermen?  En over wie hebben we het dan? Kun je voor deze groepen een soort ‘garantie’ onderhandelen, die voor een deel het landelijk verdwijnen van het compensatiebeginsel, op lokaal niveau voor hen repareert?
  6. Kwaliteitsbewaking? Hoe vindt je dat de kwaliteit van zorg bewaakt moet worden? Welke rol zie je daarbij voor cliënten en cliëntenorganisaties?
  7. Financieringsvormen: Welke vormen van financiering vindt je (op welke manier uitgevoerd) recht doen aan het uitgangspunt dat de burger en de cliënt centraal moet staan en maximaal ondersteund moet worden om zijn eigen regie te kunnen voeren?

Als Zorgbelang Gelderland willen we de cliëntenorganisaties in de Gelderse regio’s de komende periode ondersteunen om samen deze vragen te beantwoorden, om hiermee sterk te staan in de lokale beïnvloeding van het nieuwe lokale zorgbeleid en de uitvoering daarvan.

Naar één vertrouwenspersoon functie voor het hele sociale domein?

Momenteel werk ik samen met een aantal organisaties aan vernieuwingen op het gebied van de vertrouwenspersoonfunctie:

Jeugdwet verplicht de vertrouwenspersoon
De nieuwe jeugdwet zorgt er voor dat net als nu het geval is) ook na de transitie jeugdzorg, jongeren en ouders of familieleden het recht hebben op een vertrouwenspersoon. Ook in de GGZ en onder de wet dwang en drang hebben cliënten of hun relaties hier recht op.

  • Een vertrouwenspersoon: ondersteunt bij het omgaan (‘coping’) met door cliënten of hun relaties ervaren problemen in de zorg; bij het bespreekbaar maken bij zorgverleners van deze problemen en bij het streven naar oplossingen daarvan. Daarnaast ondersteunt de vertrouwenspersoon bij het handhaven van hun cliëntenrechten, indien daar door zorgverleners geen recht aan wordt gedaan.
  • Daar waar cliënten niet zelf in staat zijn hum problemen op te lossen en daar waar sprake is van meerdere vergelijkbare problemen van meerdere cliënten in een instelling, treden de vertrouwensorganisaties in contact met de instelling. Met medewerkers, leidinggevenden of bestuurders (afhankelijk van de problematiek) wordt besproken welke problemen zich met welke frequentie voordoen in de ogen van cliënten en op welke wijze een instelling individuele of vaker voorkomende problemen op zou kunnen lossen.
  • Alle vertrouwenspersoon organisaties richten zich daarnaast op beleidsmakers en financiers van zorg om vaker voorkomende problemen via nieuw of aangepast beleid, tot een oplossing te brengen. Dat doen ze door middel van lobby, zowel landelijk als lokaal, vaak samen met cliënten(organisaties).

Organisatie vertrouwenswerk naar gemeenten?
De vertrouwenspersonen worden nu vooral landelijk of provinciaal gefinancierd. In principe gaan gemeenten vanaf 1 januari 2015 deze financiering overnemen. De komende maanden moet de VNG als vereniging van Nederlandse gemeenten gaan beslissen hoe ze dat gaan organiseren. Omdat het om een zeer kleine functie in de jeugdzorg gaat, ligt er een advies van een VNG commissie om deze functie landelijk te gaan financieren.

Op weg naar één vertrouwenspersoon voor de hele zorg?
Nu zijn er verschillende soorten vertrouwenspersonen voor verschillende sectoren: de jeugdzorg, de GGZ en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking (VG). Zorgbelang organisaties zorgen samen met het AKJ  voor de vertrouwenspersoon in de jeugdzorg. Momenteel overleggen we samen met AKJ druk met andere organisaties van vertrouwenspersonen (PvP en LsfvP in de GGZ, LSR en de CVP in de VG) over nauwe samenwerking: het zou in mijn ogen heel mooi zijn als je als Nederlandse cliënt in heel Nederland op één soort vertrouwenspersoon een beroep kunt doen, ongeacht of je nu thuis woont of in een instelling; ongeacht welke zorg je nodig hebt en ongeacht waar je woont. Als cliënt of als ouder zou je niet moeten hoeven uitzoeken welke vertrouwenspersoon nu precies bij jouw soort zorg hoort. Het vertrouwenswerk is in essentie voor iedereen min of meer gelijk.

Maar natuurlijk moet die vertrouwenspersoon wel heel dichtbij zijn: bekend met jouw omgeving (woonplaats) en zorg.  Alle genoemde vertrouwenspersoon organisaties zijn met elkaar in gesprek om te kijken of en hoe we achter één soort van (virtuele) voordeur, één loket van één soort vertrouwenspersoon kunnen maken. Samen zouden weer voor kunnen zorgen dat je altijd de bij jouw probleem passende vertrouwenspersoon krijgt, dicht bij waar je (al dan niet tijdelijk) woont. Samen kunnen deze organisaties ook zorgen voor een goede kwaliteit die over het hele land hetzelfde is. Gezien de verschillen tussen de genoemde organisaties zal het nog een hele klus zijn er voor te zorgen dat dat ene (virtuele) loket van de vertrouwenspersoon voor de hele zorg er voor 1 januari 2015 komt. Ik hoop dat we er in gaan slagen en werk er hard aan.

Vertrouwenswerk in hele sociale domein?
In een aantal wetten / sectoren is een verplichting voor vertrouwenswerk  opgenomen. Voor de nieuwe Wmo en een deel van de nieuwe wet LIZ (Langdurig Intensieve Zorg, het toekomstige overblijfsel van de huidige Awbz) zal dat niet gelden naar verwachting. Toch zijn er gemeenten die het belang van de vertrouwenspersoon voor cliënten ook in het kader van deze nieuwe wetten wel zien. Ze spreken dan van een vertrouwenspersoon voor het gehele sociale domein. Als Zorgbelang Gelderland zijn we met enkele gemeenten in gesprek om in 2014 enkele pilots op dit gebied op te zetten: wij denken dat ook Wmo cliënten of ouderen in een verzorgingshuis behoefte aan vertrouwenswerk kunnen hebben. Als het ons lukt deze pilots te financieren, kunnen we onderzoeken of dat ook werkelijk zo is en wat dat voor deze mensen betekent: welke problemen lost het voor hen op? En: leidt het ook op deze terreinen sneller tot beter zorg, als die niet (helemaal) in orde of op maat is?

Ik hoop dat we de komende maanden met de genoemde organisaties grote stappen in de samenwerking kunnen zetten en dat we medio 2014 weten of een brede vertrouwensfunctie voor het sociale domein wenselijk en haalbaar is.